ZAND

Sommigen kwamen hier met een rivier,
anderen waren al in zee.
We zijn ontstaan uit het kraken, breken en eroderen van
bergen, schelpen, mineralen, stenen.

Sinds ongeveer een halve eeuw,
zijn artificiŽle entiteiten onze gemeenschappen binnengevallen.
zachte stukjes en deeltjes die niet houden van contact,
of meedoen aan oeroude rituelen die wij cycli noemen.

Als we in beweging zijn noemen ze ons sediment.
Maar nu we rusten op de bodem van de Noordzee,
hebben ze het over zand.

Hier ergens in de buurt was vroeger een vissersdorp.
Eeuwen geleden slopen en kropen we in de huizen.
Mensen die plaats voor ons moesten maken verwezen naar ons als Witte Dood.

En terwijl we deze herinneringen ophalen,
wordt er ineens aan ons getrokken.
We worden in de buik van een boot gezogen.
In beweging, niet door wind of water,
deze keer zijn het contracten, metaal, een dieselmotor.

Ondanks de massale verplaatsing, wordt er niet meer aan ons gerefereerd als sediment.
Nu heten we suppletie.

De boot brengt ons dichter naar de kust van een eiland
en spuugt ons uit.
Nadat we in ondiep water zijn geland,
bekruipt ons het gevoel dat we schelpenbanken smoren.
Maar we kunnen er niets aan doen.
De stroming brengt ons nog dichter bij de kust
en we krijgen fantasieŽn over het worden van een strand.

Maar net voor we aan land komen,
worden we door een andere stroming weggetrokken.
De Waddenzee.
Ze hongert naar zand.
En we denken dat het doel van al deze verstoringen
niet kan zijn dat wij gaan liggen zonnebaden.
Niet eens dat wij de kust moeten beschermen voor de stijgende zee.
We zijn verstrikt geraakt in een verplaats-schade-bedek-schade strategie.
We zijn gekocht door een oliemaatschappij.
Maar we kunnen het niet helpen.

Soms noemen ze ons nog suppletie,
maar meestal worden we aangeduid als compensatie,
ergens diep in een milieueffectrapport.

En zo gaan we verder als
Witte Dood/ sediment/ suppletie/ compensatie.

Met een multidisciplinaire identiteitscrisis schuren we over de rusteloze bodem.
Tot onze weg wordt geblokkeerd door zeegras.
Omdat ze zo zeldzaam zijn, zijn we blij er een beetje bij te blijven liggen.
Een zeepaardje krult de staart om een spriet en houdt het stevig vast.

Maar wij worden door de pieren opgezogen.
Ze zitten overal!
We bewegen voortdurend door hun lichamen.
We zijn poep van sliertspiralen.
Gek genoeg merken we dat we ons weer fris beginnen te voelen.
Als de wormen ons niet hadden gevonden,
zouden we modder heten.

We hadden omgezet kunnen worden in:
beton, glas, zonnecellen, microchips.
Deze mogelijkheden klinken als een mogelijke dood voor ons.

Nu we onderdeel zijn geworden van een doorlopende kringloop
hebben we het gevoel niet te kunnen sterven.
We maken ons alleen zorgen om de artificiŽlen onder ons
die de pieren traag maken.

Op een dag zullen we klein zijn, dan noemen ze ons slib,
en daarna klei.
Maar voor nu zitten we goed.

Als het water zich terugtrekt,
twee keer per dag,
en wij met wormgaten, lucht en water de naakte bodem zijn,
dan sissen we.

In deze grenzeloos lange sis geven wij een naam aan onszelf.